direct naar inhoud van Regels
Plan: Wijkertoren-Overbos
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0375.BVWijkertOverbos-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Bestemmingsregels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

De beheersverordening "Wijkertoren-Overbos" van de gemeente Beverwijk;

1.2 beheersverordening:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO. 0375.BVWijkertOverbos-VG01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen);

1.3 aan- of uitbouw:

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een aan een hoofdgebouw gebouwd bouwwerk dat ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van dat hoofdgebouw;

1.4 aaneengebouwde woning:

woning in een blok van meer dan twee-aaneengebouwde woningen;

1.5 aan huis verbonden bedrijf:

het beroepsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en waarbij de woonfunctie blijft behouden en waarvan de activiteiten behoren tot categorie 1 van de bij dit bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten;

1.6 aan huis verbonden beroep:

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.7 achtererfgebied

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 3 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw;

1.8 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde, verband houdende met de aanwezigheid van archeologische relicten (artefacten) in hun oorspronkelijke ruimtelijke context, dan wel in de bodem (ondergronds) dan wel onder water;

1.9 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.10 begane grond:

de bouwlaag van een gebouw waarvan de vloer op (nagenoeg) gelijke hoogte als het peil is gelegen;

1.11 besluit omgevingsrecht (Bor):

besluit van 25 maart 2010, houdende regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Besluit omgevingsrecht), Staatsblad 2010, 143;

1.12 besluit(sub)vlak:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.13 besluit(sub)vlak grens:

de grens van een besluit(sub)vlak indien het een vlak betreft;

1.14 bestaand:
  • a. bij bebouwing: een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal tot stand is gekomen of tot stand kan komen krachtens de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  • b. bij gebruik: het legale gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.
1.15 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.16 bijgebouw:

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

1.17 bijzondere woonvorm:

woonvorm waarbij, al dan niet zelfstandige, woningen zijn opgenomen met bijbehorende gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een bejaardenhuis, een woonzorgcomplex, een begeleid-wonen complex of daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

1.18 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.19 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.20 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.21 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.22 dakkapel:

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.23 dakopbouw:

een constructie van geringe omvang ter vergroting van een gebouw, waarbij het karakter van het dak niet intact blijft en waarbij deze constructie (gedeeltelijk) boven de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.24 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.25 dienstverlening:

het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van (milieu)-omgevingsvergunningplichtige bedrijven en instellingen en een seksinrichting;

1.26 dienstwoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huishouding daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.27 functie:

een activiteit die bepalend is voor het gebruik van gronden en (delen van) bouwwerken als toegestaan in deze beheersverordening, zoals wonen, dienstverlening horeca, enzovoort;

1.28 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.29 gestapelde woning:

zelfstandige woning die boven (of nagenoeg boven) andere woningen of functies is gesitueerd, daaronder begrepen de onderliggende woningen;

1.30 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn functie, constructie en/of afmetingen, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;

1.31 horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, maar met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

1.32 kantoren:

de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige, financiële, technische, organisatorische- en/of zakelijke dienstverlening, niet zijnde detailhandel, al dan niet met een publieksgerichte baliefunctie;

1.33 maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen voor educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke activiteiten en activiteiten ten behoeve van kinderdagverblijven/naschoolse opvang en openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze activiteiten;

1.34 openbaar toegankelijk gebied:

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

1.35 opslag:

het bedrijfsmatig opslaan, verpakken en verhandelen van goederen;

1.36 overkapping:

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven;

1.37 peil (straatpeil):
  • a. bij ligging op een afstand van minder dan 10 meter uit de as van de weg: de kruin van de weg;
  • b. bij ligging anderszins: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;
1.38 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

1.39 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.40 seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.41 sportvoorzieningen:

gebouwde en ongebouwde voorzieningen voor sportieve activiteiten, waaronder ondergeschikte detailhandels- en horecavoorzieningen worden begrepen;

1.42 twee-aaneengebouwde woning:

bebouwing bestaande uit twee aaneengebouwde grondgebonden woningen die samen een bouwblok vormen;

1.43 verdieping:

de bouwlagen van een gebouw die boven de begane grond zijn gelegen;

1.44 voorerfgebied:

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

1.45 voorgevel:

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of "uitstraling" als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;

1.46 voorgevelrooilijn:

de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan;

1.47 vrijstaande woning:

niet-aaneengebouwde woning;

1.48 wonen:

permanente huisvesting van één of meerdere personen in een woning;

1.49 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, niet zijnde een woonwagen;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. In aanvulling hierop geldt dat bij toepassen van het meten van de goothoogte van een bouwwerk dakkapellen buiten beschouwing worden gelaten, behoudens dakkapellen waarvan de (gezamenlijke) breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel;

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 onderlinge afstanden:

afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.7 bouwdelen van ondergeschikte aard:

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingen

Artikel 3 Zone Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Zone Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor de functies die zijn aangegeven op de bij deze regels behorende verbeelding, te weten:

  • a. wonen;
  • b. tevens bijzondere woonvormen ter plaatse van het besluitsubvlak "bijzondere woonvorm";

met de daarbij behorende:

  • c. aan huis verbonden beroepen;
  • d. tuinen en erven;

in afwijking van het bepaalde onder a en b uitsluitend voor de onder e t/m h genoemde functies, met dien verstande dat wonen op de verdiepingen tevens is toegestaan:

  • e. bedrijven, voor zover deze behoren tot de categorieën 1 en 2 van de in Bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van het besluitsubvlak "bedrijf";
  • f. bedrijven, voor zover deze behoren tot de categorieën 1 t/m 3 van de in Bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van het besluitsubvlak "bedrijf tot en met categorie 3";
  • g. dienstverlenende bedrijven ter plaatse van het besluitsubvlak "dienstverlening";
  • h. maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van het besluitsubvlak "maatschappelijk";

alsmede op de begane grond voor:

  • i. detailhandel ter plaatse van het besluitsubvlak "detailhandel";
  • j. dienstverlenende bedrijven, detailhandel en horeca ter plaatse van het besluitsubvlak "gemengd", met dien verstande dat horeca uitsluitend mag worden uitgeoefend ter plaatse van het besluitsubvlak "horeca" voor zover deze behoort tot de categorieën 1 t/m 2 van de in Bijlage 2 bij deze regels opgenomen Staat van horeca-activiteiten;
  • k. kantoren ter plaatse van het besluitsubvlak "kantoor";

met de daarbij behorende:

  • l. verkeersvoorzieningen;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. nutsvoorzieningen;
  • o. parkeervoorzieningen;
  • p. water en waterhuishouding;

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemene bouwregels

Ten behoeve van:

  • a. de in 3.1, onder a en b genoemde functies mogen de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van de in 3.2.2 t/m 3.2.4 genoemde regels;
  • b. de in 3.1, onder e t/m k genoemde functies mogen de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van de in 3.2.2 en 3.2.5 genoemde regels;
  • c. de in 3.1, onder l t/m p genoemde functies zijn bouwwerken uitsluitend toegestaan voor zover (en in het geval dat) artikel 2 van de in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde situaties dit toelaat.
3.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat;

  • a. deze in de vorm van grondgebonden woningen zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend ter plaatse van de besluitsubvlak "gestapeld" gestapelde woningen (waaronder wooneenheden behorend tot een bijzondere woonvorm) zijn toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de in 3.1, onder e t/m k bedoelde besluitsubvlakken tevens woningen op de verdiepingen zijn toegestaan;
  • b. ter plaatse van de in 3.1, onder e t/m k bedoelde besluitsubvlakken hoofdgebouwen op de begane grond voor de bijbehorende functies zijn toegestaan;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b uitsluitend ter plaatse van het besluitsubvlak "functie op verdiepingen" hoofdgebouwen op de verdiepingen voor onderliggende functies;
  • d. ten aanzien van de situering van gebouwen is van belang dat bestaande gebouwen mogen worden vervangen door gebouwen op dezelfde locatie;
  • e. de goot- en bouwhoogte bedraagt ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte.
3.2.3 Bouwwerken op het voor- en zijerf bij woningen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan voor zover (en in het geval dat) artikel 2 van de in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde situaties dit toelaat.
3.2.4 Bouwwerken op het achtererf bij woningen
  • a. Voor het bouwen van aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen gelden de volgende bepalingen:
    • 1. het gezamenlijk oppervlak van aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen mag bij bouwpercelen met een grootte tot 500 m² niet meer bedragen dan 50% van het achtererfgebied met een maximum van 50 m²;
    • 2. het gezamenlijk oppervlak van aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen mag bij bouwpercelen groter dan 500 m² niet meer bedragen dan 10% van het achtererfgebied met een maximum van 150 m²;
    • 3. het gezamenlijk oppervlakte als bedoeld onder 1., dan wel 2. dient te worden verminderd met de oppervlakte van de aanwezige gebouwen op het voorerfgebied;
    • 4. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 meter;
    • 5. de bouwhoogte van een aan- en uitbouw mag niet meer bedragen dan maximaal 0,25 meter boven de eerste verdiepingsvloer;
    • 6. de goothoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,00 meter;
    • 7. de bouwhoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 4,50 meter.
  • b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt, dat deze uitsluitend zijn toegestaan voor zover (en in het geval dat) artikel 2 van de in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde situaties dit toelaat.
3.2.5 Bouwwerken bij overige functies

Ten behoeve van de in 4.1, onder e t/m k bedoelde functies zijn aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. de bestaande situering wordt gehandhaafd;
  • b. de goot- en bouwhoogte bedraagt ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte.

3.3 Afwijking bouwregels
3.3.1 Dakopbouwen bij woningen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning, op grond van het bepaalde in artikel 3.38, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken van de in deze verordening gegeven bouwhoogte voor het realiseren van dakopbouwen, met dien verstande dat:

  • a. de bestaande bouwhoogte met niet meer dan 1 meter wordt overschreden;
  • b. de dakhelling van de opbouw gelijk is aan de oorspronkelijke dakhelling en de onderzijde van de opbouw in het oorspronkelijke dakvlak ligt;
  • c. er geen afbreuk wordt gedaan aan het straat en bebouwingsbeeld.
3.3.2 Erkers op het voorerf

het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning, op grond van het bepaalde in artikel 3.38, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken van het bepaalde in 3.2.3, onder a voor het realiseren van erkers op het voorerf, met dien verstande dat:

  • a. de diepte van de erker niet meer dan 1 meter bedraagt;
  • b. de oppervlakte van de erker niet meer dan 6 m2 bedraagt.
  • c. de bedoelde omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • 2. het straat- en/of bebouwingsbeeld;
    • 3. de verschijningsvorm van karakteristieke gebouwen;
    • 4. de parkeermogelijkheden in de omgeving.
3.3.3 Bouwwerken bij overige functies

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning, op grond van het bepaalde in artikel 3.38, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken van het bepaalde onder 3.2.5, onder a voor een uitbreiding van maximaal 10% van het gezamenlijke oppervlak van aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Aan huis verbonden beroepen

De in 3.1, onder c bedoelde aan huis verbonden beroepen mogen uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels:

  • a. het vloeroppervlak ten behoeve van het aan huis verbonden beroep mag niet meer bedragen dan 30% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de woning, aanbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m²;
  • b. de woonfunctie dient als primaire functie te worden gehandhaafd;
  • c. er is geen horeca toegestaan;
  • d. er is geen detailhandel toegestaan, met uitzondering van de verkoop van aan huis vervaardigde producten;
  • e. het aan huis verbonden beroep mag geen onevenredige milieuoverlast, parkeerdruk en/of verkeersbelasting met zich meebrengen.
3.4.2 Toegelaten bedrijfsactiviteiten

Ten behoeve van de in 3.1, onder e en f bedoelde bedrijven zijn slechts bedrijfsactiviteiten toegestaan voor zover deze behoren tot de genoemde categorieën van de in Bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht en de bijbehorende bijlage 1, onderdeel D (categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken).

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Aan huis verbonden bedrijven

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.1, onder c voor het kunnen toestaan van een aan huis verbonden bedrijf, onder de voorwaarden dat:

  • a. de bedrijfsmatige activiteit alleen door de bewoner wordt uitgevoerd;
  • b. het vloeroppervlak ten behoeve van het aan huis verbonden bedrijf mag niet meer bedragen dan 30% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de woning en aanbouwen, met een maximum van 50 m²;
  • c. de woonfunctie dient als primaire functie te worden gehandhaafd;
  • d. er is geen horeca toegestaan;
  • e. er geen detailhandel plaatsvindt uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf;
  • f. de activiteit behoort tot categorie 1 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij deze regels is gevoegd.
3.5.2 Toepasbaarheid

De in 3.5.1 genoemde afwijkingen kunnen slechts worden toegepast, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de parkeersituatie;
  • d. de milieusituatie;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 4 Waarde - Archeologie 1

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde - Archeologie 1" aangegeven gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse te verwachten, dan wel voorkomende, archeologische waarden.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Bouwverbod samenvallende bestemmingen

Het is verboden bouwwerken ten behoeve van samenvallende besluitvlakken te realiseren.

4.3 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, op grond van het bepaalde in artikel 3.38, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken bij een omgevingsvergunning van het bepaalde in 4.2.1 indien op basis van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (versie 3.1), is vastgesteld dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.4.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in 4.4.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,35 m en een oppervlakte groter dan 30 m²;
  • b. tot de grondbewerkingen worden ook gerekend het woelen en draineren
  • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
4.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 4.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van de verordening;
  • b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • c. de werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de samenvallende bestemmingen.
4.4.3 Toelaatbaarheid

Een vergunning als bedoeld in 4.4.1 kan alleen worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (versie 3.1), is vastgesteld dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad.

4.5 Omgevingsvergunning voor het slopen
4.5.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning of in afwijking van de bij zodanige omgevingsvergunning gegeven voorwaarden gebouwen of delen van gebouwen te slopen, anders dan ter uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend of ter vernieuwing van onderdelen, welke uit oogpunt van onderhoud noodzakelijk is.

4.5.2 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.5.1 kan slechts worden verleend, indien door de sloop van het gebouw, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bouwhistorische en cultuurhistorische waarde van het gebouw.

4.5.3 Advies

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.5.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij de gemeentelijke monumentencommissie omtrent de mogelijke aantasting van de bouwhistorische en cultuurhistorische waarde van het gebouw.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 2

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde - Archeologie 2" aangegeven gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse te verwachten, dan wel voorkomende, archeologische waarden.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwverbod samenvallende bestemmingen

Het is verboden bouwwerken ten behoeve van samenvallende besluitvlakken te realiseren.

5.3 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, op grond van het bepaalde in artikel 3.38, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken bij een omgevingsvergunning van het bepaalde in 5.2.1 indien op basis van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (versie 3.1), is vastgesteld dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in 5.4.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 m en een oppervlakte groter dan 500 m²;
  • b. tot de grondbewerkingen worden ook gerekend het woelen en draineren
  • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
5.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 5.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van de verordening;
  • b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • c. de werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de samenvallende bestemmingen.
5.4.3 Toelaatbaarheid

Een vergunning als bedoeld in 5.4.1 kan alleen worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (versie 3.1), is vastgesteld dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad.

5.5 Omgevingsvergunning voor het slopen
5.5.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning of in afwijking van de bij zodanige omgevingsvergunning gegeven voorwaarden gebouwen of delen van gebouwen te slopen, anders dan ter uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend of ter vernieuwing van onderdelen, welke uit oogpunt van onderhoud noodzakelijk is.

5.5.2 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.5.1 kan slechts worden verleend, indien door de sloop van het gebouw, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bouwhistorische en cultuurhistorische waarde van het gebouw.

5.5.3 Advies

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.5.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij de gemeentelijke monumentencommissie omtrent de mogelijke aantasting van de bouwhistorische en cultuurhistorische waarde van het gebouw.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 3

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde - Archeologie 3" aangegeven gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse te verwachten, dan wel voorkomende, archeologische waarden.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Bouwverbod samenvallende bestemmingen

Het is verboden bouwwerken ten behoeve van samenvallende besluitvlakken te realiseren.

6.3 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, op grond van het bepaalde in artikel 3.38, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken bij een omgevingsvergunning van het bepaalde in 6.2.1 indien op basis van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (versie 3.1), is vastgesteld dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in 6.4.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 m en een oppervlakte groter dan 2.500 m²;
  • b. tot de grondbewerkingen worden ook gerekend het woelen en draineren
  • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
6.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 6.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van de verordening;
  • b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • c. de werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de samenvallende bestemmingen.
6.4.3 Toelaatbaarheid

Een vergunning als bedoeld in 6.4.1 kan alleen worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (versie 3.1), is vastgesteld dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad.

6.5 Omgevingsvergunning voor het slopen
6.5.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning of in afwijking van de bij zodanige omgevingsvergunning gegeven voorwaarden gebouwen of delen van gebouwen te slopen, anders dan ter uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend of ter vernieuwing van onderdelen, welke uit oogpunt van onderhoud noodzakelijk is.

6.5.2 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 6.5.1 kan slechts worden verleend, indien door de sloop van het gebouw, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bouwhistorische en cultuurhistorische waarde van het gebouw.

6.5.3 Advies

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 6.5.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij de gemeentelijke monumentencommissie omtrent de mogelijke aantasting van de bouwhistorische en cultuurhistorische waarde van het gebouw.

Artikel 7 Waterstaat - Waterkering

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waterstaat - Waterkering" aangegeven gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige waterkering.

7.2 Bouwregels

Het is verboden bouwwerken te realiseren, dan wel werken of werkzaamheden uit te (laten) voeren ten behoeve van samenvallende bestemmingen.

7.3 Afwijking van de bouwregels
7.3.1 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan, op grond van het bepaalde in artikel 3.38, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken bij een omgevingsvergunning van het bepaalde in 7.2.

7.3.2 Advies

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.3.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen ten behoeve van de bestemming is toegestaan binnen de begrenzing van bestaande hoofdgebouwen.

9.2 Bestaande legale afwijkende bebouwing

Bestaande legale afwijkingen van de in deze beheersverordening aangegeven situering van gebouwen, alsmede legale afwijkingen van de in deze beheersverordening aangegeven goot- en bouwhoogte, worden geacht te voldoen aan de regels van deze beheersverordening.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en / of bouwwerken ten behoeve van:

  • a. prostitutie;
  • b. seksinrichtingen.

10.2 Bestaand legaal afwijkend gebruik

Bestaande legale afwijkingen van het in deze beheersverordening aangegeven gebruik worden geacht te voldoen aan de regels van deze beheersverordening.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van de beheersverordening, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

11.2 Gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met deze verordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald als "Regels beheersverordening Wijkertoren-Overbos".