Regels

 

 



Inhoudsopgave

 

 

1.         Inleidende bepalingen  1

Artikel 1               Begrippen  1

Artikel 2               Wijze van meten  5

2.         Bestemmingsregels  6

2.1.     Bestemmingen  6

Artikel 3               Groen  6

Artikel 4               Maatschappelijk  7

Artikel 5               Tuin  8

Artikel 6               Verkeer - Verblijfsgebied  9

Artikel 7               Water 10

Artikel 8               Wonen  11

2.2.     Dubbelbestemmingen  13

Artikel 9               Leiding  13

3.         Algemene regels  15

Artikel 10             Anti-dubbeltelregel 15

Artikel 11             Algemene bouwregels  16

Artikel 12             Algemene ontheffingsregels  18

Artikel 13             Algemene procedureregels  19

4.         Overgangs- en slotregels  20

Artikel 14             Overgangsregels  20

Artikel 15             Slotregel 21


 

1.         Inleidende bepalingen

Artikel 1         Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1       aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.2       aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.3       aanbouw:
een aan een hoofdgebouw verbonden gebouw dat ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, zoals een erker of serre, waarbij de aanbouw een toevoeging is van een afzonderlijke ruimte dan wel een vergroting is van de bestaande ruimte;

1.4       aaneengesloten woningen:
blokken van meer dan twee-aaneengebouwde woningen;

1.5       aan-huis-gebonden beroep:
een beroep, dat in een woning door de gebruik(st)er van de woning wordt uitgeoefend en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie verenigbaar is, met dien verstande dat hieronder in ieder geval wordt verstaan het uitoefenen van kunstzinnige, ontwerptechnische en medische dienstverlening;

1.6       bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde;

1.7       bebouwingspercentage:
een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwvlak dat ten hoogste mag worden bebouwd;

1.8       begane grond:
een bouwlaag waarvan het vloerpeil ten hoogste 1,20 meter boven (straat)peil ligt;

1.9       bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;

1.10     bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0375.BPwarande-VS01 met bijbehorende regels;

1.11     bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.12     bijgebouw:
een gebouw, dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

1.13     bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.14     bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;

1.15     bouwlaag:
doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op (vrijwel) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met dien verstande dat:

a.   een zolder en een dakopbouw niet als bouwlaag worden beschouwd;
b.   een souterrain of kelderverdieping niet als bouwlaag wordt beschouwd;

1.16     bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;

1.17     bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;

1.18     bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegelaten;

1.19     bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.20     dakkapel:
een constructie ter vergroting van een gebouw, waarbij het karakter van het dak intact blijft, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.21     dakopbouw:
een constructie ter vergroting van een gebouw, waarbij het profiel en de vorm van het dak ingrijpend worden gewijzigd

1.22     detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan de uiteindelijke verbruiker of gebruiker;

1.23     dienstverlening:
het beroepsmatig verlenen van diensten, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt in:

a.   zakelijke dienstverlening: het verrichten van administratieve en daarmede gelijk te stellen werkzaamheden, al dan niet met daaraan ondergeschikte baliewerkzaamheden;
b.   publieksgerichte dienstverlening: dienstverlening door een bedrijf of instelling dat in hoofdzaak baliewerkzaamheden verricht of andere diensten verleent gericht op het publiek, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, makelaars en dergelijke;

1.24     eengezinswoning:
een zelfstandig, al dan niet zijdelings aaneengebouwd, gebouw dat één woning omvat;

1.25     gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.26     hoofdgebouw:
een gebouw dat op een perceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;

1.27     horeca:
een bedrijf dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf en op het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie;

1.28     meergezinswoning:
woning, waarboven of waaronder één of meer andere woningen of delen daarvan gelegen zijn

1.29     peil (straatpeil):
voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang. Voor de overige gevallen: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter hoogte van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

1.30     perceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;

1.31     plan:
het bestemmingsplan "Warande" van de gemeente Beverwijk;

1.32     plankaart:
de analoge verbeelding van het GML-bestand NL.IMRO.0375.BPwarande-VS01;

1.33     seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.34     souterrain of kelderverdieping:
verrichtingen van personen gericht op lichamelijke inspanning, zowel in gebouwde of anderszins aangelegde voorzieningen;

1.35     verblijfsgebied:
het openbaar gebied bestaande uit wegen, paden, trottoirs en dergelijke, waarbij verblijf de hoofdfunctie is;

1.36     verdieping:
een boven de begane grond gelegen bouwlaag;

1.37     voorgevelrooilijn:
de naar het openbaar gebied gerichte bouwgrens en het verlengde daarvan, waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is/wordt opgericht;

1.38     vrijstaande woning:
een niet-aaneengesloten eengezinswoning;

1.39     woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, niet zijnde een woonwagen;

1.40     woonwagen:
een ongemotoriseerd voertuig dat voortdurend of nagenoeg voortdurend als woning wordt gebezigd of daartoe is bestemd, met dien verstande dat een woonwagen niet ophoudt dit te zijn, indien aan of bij de woonwagen voorzieningen worden getroffen ten gevolge waarvan deze niet langer kan worden voortbewogen;

1.41     zolder:
gedeelte van een gebouw, waarvan de vrije hoogte tussen de bovenkant van de vloer en de onderkant van de dakschilden op het hoogste punt niet meer dan 1,50 meter bedraagt.


Artikel 2         Wijze van meten

2.1       Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten en berekend:

a.     lengte, breedte en diepte van gebouwen: tussen de buitenzijden van de gevels en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren;

b.    lengte, breedte en diepte van bouwwerken, geen gebouw zijnde: tussen de verst van elkaar gelegen punten van die werken, horizontaal gemeten;

c.     de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

d.    de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

e.     de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

f.     de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

g.    onderlinge afstanden: afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;

h.     hoogte van de begane grond: vanaf het (straat)peil tot aan de bovenkant van de afgewerkte verdiepingsvloer;

i.      afstand tot zijdelingse bouwperceelsgrens: tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend bouwwerk, waar die afstand het kleinst is;

j.      de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.         Bestemmingsregels

2.1.      Bestemmingen

 

Artikel 3         Groen

Bestemmingsomschrijving

3.1       De voor "Groen" aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor:

a.   groen- en speelvoorzieningen;
b.   water en waterberging;
c.   nutsvoorzieningen;
d.   wandel- en fietspaden;
e.   kunstwerken.

 

Bouwregels

3.2       Ten behoeve van de in 3.1 genoemde bestemming mogen de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van de volgende regels:

a.   de oppervlakte van het grondvlak van een gebouw mag ten hoogste 25 m2 bedragen;
b.   de hoogte van een gebouw mag ten hoogste 4 meter bedragen;
c.   de hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde mag in afwijking van het bepaalde in 11.4 ten hoogste 10 meter bedragen.

 

 

 


Artikel 4         Maatschappelijk

Bestemmingsomschrijving

4.1       De voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.   voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, educatie en daarmee gelijk te stellingen instellingen;
b.   overheidsvoorzieningen;
c.   zakelijke dienstverlening;
d.   nutsvoorzieningen;
e.   speelvoorzieningen;
f.    parkeervoorzieningen.

 

Bouwregels

4.2       Ten behoeve van de in 4.1 genoemde bestemming mogen de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van:

a.   de in 4.3 genoemde bepalingen;
b.   de aangegeven aanduidingen.

 

4.3       Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a.   een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
b.   In afwijking van het bepaalde onder a mag buiten het bouwvlak ten hoogste één fietsenstalling/berging per perceel worden gerealiseerd met een maximale oppervlakte van 50 m2;
c.   de bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd, of tot het aangegeven maximum bebouwingspercentage;
d.   het bouwen van ondergrondse parkeervoorzieningen is toegestaan.

 

 

Specifieke gebruiksregels

4.4       Ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorziening": is het uitsluitend toegestaan de onder 4.1 sub d genoemde activiteiten uit te oefenen.

 

 

Artikel 5         Tuin

Bestemmingsomschrijving

5.1       De voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en parkeren behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

 

Bouwregels

5.2       Ten behoeve van de in 5.1 genoemde doeleinden mogen de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van:

a.   de in 5.3 t/m 5.4 genoemde bepalingen;
b.   de aangegeven aanduidingen.

 

5.3       In afwijking van het bepaalde in 5.2, geldt dat:

a.   de aanbouwen en bijgebouwen die ten tijde van de eerste tervisielegging aanwezig zijn, worden geacht binnen de regels van dit plan te passen.
b.   erkers aan het hoofdgebouw mogen worden aangebouwd met een maximale oppervlakte van 6 m2 en een maximale overschrijding van de bouwgrens van 1,00 meter.

 

5.4       Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt, dat deze in afwijking van het bepaalde in 11.4 uitsluitend zijn toegestaan voor zover (en in het geval dat) de in artikel 43 van de Woningwet genoemde situaties dit toelaten.

 

 


Artikel 6         Verkeer - Verblijfsgebied

Bestemmingsomschrijving

6.1       De voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.   de verkeersafwikkeling;
b.   verblijfsgebied;
c.   parkeervoorzieningen;
d.   groen- en speelvoorzieningen;
e.   water en waterberging;
f.    nutsvoorziening.

 

Bouwregels

6.2       Ten behoeve van de in 6.1 genoemde doeleinden mogen de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van de volgende regels:

a.   de oppervlakte van het grondvlak van een gebouw mag ten hoogste 25 m2 bedragen;
b.   de hoogte van een gebouw mag ten hoogste 4 meter bedragen;
c.   de hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde mag in afwijking van het bepaalde in 11.4 ten hoogste 10 meter bedragen.

 

 


Artikel 7         Water

Bestemmingsomschrijving

7.1       De voor "Water" aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor:

a.   water en waterberging;
b.   oevers en groen.

 

Bouwregels

7.2       Het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde (zoals bruggen en duikers) is toegestaan.

 

 


Artikel 8         Wonen

Bestemmingsomschrijving

8.1       De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.   wonen;
b.   aan-huis-gebonden beroepen;
c.   tuinen en erven.

 

Bouwregels

8.2       Ten behoeve van de in 8.1 genoemde doeleinden mogen de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van:

a.   de in 8.3 t/m 8.4 genoemde bepalingen;
b.   de aangegeven aanduidingen.

 

8.3       Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat:

a.   de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
b.   uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “vrijstaand” mogen vrijstaande woningen worden gebouwd;
c.   uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “gestapeld” mogen meergezinswoningen worden gebouwd;
d.   onder meergezinswoningen is het toegestaan om, verdiepte of halfverdiepte gebouwde parkeervoorzieningen te realiseren;
e.   bij vrijstaande woningen mag de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens nergens minder dan 2,50 meter bedragen;
f.    ter plaatse van de aanduiding “patiowoningen” mag ten hoogste 65% van het perceel worden bebouwd;
g.   ter plaatse van de aanduiding “maximum aantal wooneenheden” mogen niet meer dan het aangegeven aantal woningen worden gebouwd.

 

8.4       Voor het bouwen van aanbouwen en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a.   het gezamenlijk grondoppervlak van aanbouwen en bijgebouwen mag bij percelen met een grootte tot 500 m² niet meer bedragen dan 50% van het erf van het bijbehorende bouwperceel met een maximum van 50 m²;
b.   het gezamenlijk grondoppervlak van aanbouwen en bijgebouwen mag bij percelen groter dan 500 m² niet meer bedragen dan 10% van het erf van het bijbehorende bouwperceel met een maximum van 150 m²;
c.   de oppervlakte als bedoeld onder a., dan wel b., dient te worden verminderd met de oppervlakte van de aanwezige gebouwen op de bij hetzelfde perceel behorende gronden met de bestemming "Tuin";
d.   de hoogte van een aanbouw mag niet meer bedragen dan maximaal 0,25 meter boven de eerste verdiepingsvloer;
e.   de goothoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,00 meter;
f.    de hoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 4,50 meter.

 

Specifieke gebruiksregels

8.5       De in 8.1, onder b bedoelde aan huis gebonden beroepen mogen uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels:

a.   het vloeroppervlak ten behoeve van het aan huis gebonden beroep mag niet meer bedragen dan 30% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de woning, aanbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m²
b.   de woonfunctie dient als primaire functie te worden gehandhaafd;
c.   er is geen horeca toegestaan;
d.   er is geen detailhandel toegestaan, met uitzondering van de verkoop van aan huis vervaardigde producten;
e.   het aan huis gebonden beroep mag geen onevenredige milieuoverlast, parkeerdruk en/of verkeersbelasting met zich meebrengen.

 

8.6       Ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van Wonen-1” mogen gebouwen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van:

a.   de stalling van (motor)voertuigen;
b.   de berging van huishoudelijke artikelen.

 

8.7       Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval verstaan:

a.   het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
b.   het gebruik van de gronden die vóór de voorgevel van de woningen liggen ten behoeve van het stallen van caravans.

2.2.      Dubbelbestemmingen

Artikel 9         Leiding

Bestemmingsomschrijving

9.1       De voor "Leiding" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.   een beekriool voor de ondergrondse afvoer van grondwater en/of hemelwater;
b.   een hoogspanningsleiding;
c.   een watertransportleiding.

Voor zover dat is aangegeven zijn deze gronden secundair bestemd voor de samenvallende doeleinden als omschreven in deze regels.

 

Bouwregels

9.2       Uitsluitend ten behoeve van de in 9.1 genoemde doeleinden mogen de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met dien verstande dat:

a.   de bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde ten behoeve van een beekriool uitsluitend mogen plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - riool";
b.   de bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde ten behoeve van een beekriool uitsluitend mogen plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - hoogspanning";
c.   de bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde ten behoeve van een beekriool uitsluitend mogen plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - water";

 

9.3       In afwijking van hetgeen in 9.2 is gesteld, mogen bouwwerken ten dienste van de samenvallende bestemmingen worden gebouwd, met dien verstande dat:

a.   de bouwwerken slechts zijn toegestaan indien en voor zover de belangen van de betrokken leidingen zulks gedogen;
b.   alvorens de bouwvergunning wordt verleend de betrokken leidingbeheerder wordt gehoord.

 

Aanlegvergunning

9.4       Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning op basis van artikel 3.3, sub a van de Wet ruimtelijke ordening) op of in de in 9.1 bedoelde gronden, de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of uit te doen voeren:

a.   het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
b.   het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normale onderhoudswerkzaamheden tot 50 cm beneden maaiveld;
c.   het aanbrengen van gesloten verhardingen;
d.   het indrijven van voorwerpen in de bodem;
e.   het permanent opslaan van goederen, waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
f.    het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
g.   het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.

 

9.5       Burgemeester en wethouders geven slechts toepassing aan hun bevoegdheid tot het verlenen van de in 9.4 bedoelde vergunning, indien geen schade ontstaat aan de riolen en leidingen. Hiertoe winnen zij schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder over de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet onevenredig worden geschaad, alsmede welke voorwaarden in acht dienen te worden genomen ter voorkoming van eventuele schade aan de leiding.

 

9.6       Het in 9.4 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a.   het normale onderhoud betreffen;
b.   noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden;
c.   reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van dit plan.

3.         Algemene regels

Artikel 10      Anti-dubbeltelregel

10.1     Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.


Artikel 11      Algemene bouwregels

Overschrijding bouwgrenzen

11.1     De bouwgrens mag alleen door ondergeschikte bouwdelen worden overschreden, met dien verstande dat:

a.   plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen de bouwgrens met ten hoogste 0,30 meter mogen overschrijden;
b.   luifels en overstekende daken de bouwgrens met ten hoogste 1,00 meter mogen overschrijden;
c.   toegangsportalen, balkons en trappen de bouwgrens met ten hoogste 1,50 meter mogen overschrijden en uitsluitend bij meergezinswoningen en hoofdgebouwen zonder de bestemming “Wonen” mogen worden gebouwd;
d.   bij bouwwerken die boven een openbaar voetpad worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 2,50 meter dient te worden aangehouden;
e.   bij bouwwerken die boven een rijbaan worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 4,50 meter dient te worden aangehouden.

 

Dakkapellen

11.2     Dakkapellen mogen uitsluitend worden geplaatst op het hoofdgebouw, waarbij de volgende regels gelden:

a.   de breedte van een dakkapel mag aan de voorzijde van het gebouw niet meer bedragen dan 1/2 van de dakvlakbreedte;
b.   de breedte van een dakkapel mag aan de achterzijde van het gebouw niet meer bedragen dan 2/3 van de dakvlakbreedte;
c.   de breedte van een dakkapel mag aan de zijkant van het gebouw niet meer bedragen dan 2/3 van de dakvlakbreedte;
d.   het is niet toegestaan dakkapellen boven elkaar te plaatsen;
e.   de afstand tussen de buitenzijde van de dakkapel en het hart tussen de gemeenschappelijke scheidsmuren dient tenminste 0,5 meter te bedragen, met uitzondering van tegen elkaar geplaatste dakkapellen;
f.    de afstand tussen de buitenzijde van de dakkapel en de buitenzijde van de gevel dient tenminste 1 meter te bedragen;
g.   de afstand tussen de onderste horizontale snijlijn van de dakkapel met het dakvlak en de gootlijn, mag niet minder dan 0,5 meter bedragen;
h.   de afstand tussen de bovenste horizontale snijlijn van de dakkapel met het dakvlak en de nok van het gebouw, mag niet minder dan 0,5 meter bedragen;
i.    de afstand tussen de onderste en bovenste snijlijn van de dakkapel met het dakvlak (de hoogte van de dakkapel) mag loodrecht niet meer bedragen dan 1,5 meter.

 

Bouwvlak

11.3     Een bouwvlak mag op de volgende wijze worden bebouwd:

a.   het hoofdgebouw is gelegen binnen het bouwvlak;
b.   het bouwvlak mag voor 100 procent worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven.

 

Bouwwerken, geen gebouw zijnde

11.4     De hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 2,50 meter, met dien verstande dat:

a.   de maximale hoogte van pergola’s en overkappingen met een open constructie 2,70 meter bedraagt;
b.   de maximale hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van de woning 1,00 meter bedraagt;
c.   de maximale hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van de woning 2,00  meter bedraagt;
d.   de maximale hoogte van de vlaggenmasten 10 meter bedraagt.

 

Geluidzone industrielawaai

11.5     Binnen het gehele plangebied is het niet toegestaan:

a.   het aantal geluidgevoelige functies toe te laten nemen;
b.   bestaande geluidgevoelige functies zodanig van positie te laten wijzigen dat hierdoor de geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten toeneemt.

Artikel 12      Algemene ontheffingsregels

Meetverschillen

12.1     Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, op grond van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, sub c van de Wet ruimtelijke ordening, ontheffing te verlenen van de bepalingen van het plan, voor zover dit, tengevolge van geringe afwijkingen of onnauwkeurigheden, noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het plan, met dien verstande dat de genoemde afwijkingen ten hoogste 1,00 meter mogen bedragen.

 

10%-regeling

12.2     Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, op grond van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, sub c van de Wet ruimtelijke ordening, ontheffing te verlenen van de bepalingen van het plan ten behoeve van een vermeerdering van de voorgeschreven maten en percentages, alsmede de inhoud en de oppervlakte van de bouwwerken, mits de vermeerdering niet meer dan 10% bedraagt.

 

 


Artikel 13      Algemene procedureregels

Procedure ontheffingen

13.1     Op de voorbereiding van een besluit tot ontheffing op grond van deze regels is de procedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (uniforme openbare voorbereidingsprocedure).

 

4.         Overgangs- en slotregels

Artikel 14      Overgangsregels

Bouwwerken

14.1     Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a.   gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b.   na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

 

14.2     Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van 14.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 14.1 met maximaal 10 %.

 

14.3     Het bepaalde in 14.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

Gebruik

14.4     Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

 

14.5     Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 14.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

 

14.6     Indien het gebruik, bedoeld in 14.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

 

14.7     Het bepaalde in lid 14.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

 


Artikel 15      Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald als "Regels bestemmingsplan Warande".

 

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Beverwijk, gehouden op 18 maart 2010

 

 

 

 

     ...., voorzitter

 

 

 

 

     ...., griffier